Meneer De Coninck, Ik was veertien toen u stierf en hoewel de oogkleppen me aan de oren werden vastgebonden had ik het moeten weten. Ik had het kunnen weten door de poëzie die armer werd en als een schooier aan de deuren van de huizen klopte op zoek naar verborgen woorden van troost. Het is toen dat de taal in mij haar intrede deed en ik u nog niet miste, zoals ik dat nu doe. Soms wil ik boos zijn op de gebeurde omstandigheden omdat ze te gauw en te voorbarig van u weg liepen maar dan herinner ik mezelf er aan hoe moeilijk het is om boos te zijn op evidenties die vroeg of laat dreigden plaats te vinden. Ik heb nooit geloofd in het helen van te veel rook om onze hoofden. Als ik naar u kijk, zie ik de restanten van wie mijn vader is geweest en hoe de poëzie als brokken uit een veel te grote hap aan hem bleef hangen. De gelijkenis ontneemt me soms de adem en dan denk ik: zonder adem blijft geen taal meer overeind, zelfs de mijne niet en dan hijg ik naar het leven, zo hard...