Ode aan de jongen De jongen buigt voorover met een elegantie die iedereen het nakijken geeft als ik zijn kamer binnenval. Niet dat er veel mensen zijn, enkel wij en dat is soms meer dan genoeg. Het is daar dat ik in hem de man zie die hij ooit zal worden evenals het restant van de jongen die hij is geweest. Hij zit ergens tussenin en heeft het over hoe hij benaderd wil worden, met de houding van een onnavolgbare vooruitgang in zijn leven. Het brabbelen, het zachtjes zoeken naar woorden en het houden van alles wat dierbaar voor hem is: in fases raakt hij steeds meer en preciezer de essenties aan. Het is met kloppen dat je de kamer binnenkomt. Niet met één, noch met twee maar met drie getelde bonzen die de wereld even doen opschrikken. Een au sérieux die hij zichzelf heeft toegemeten nadat hij hem op verschillende wijzen heeft gepast, langs boven, langs onder, langs wegen die nog niet eerder verkend werden. Hij is niet meer wie hij was, maar hij is ook niet wie hij al wil zijn. H...