Het parfum
Ik parkeer me voor de bloemenwinkel. Ik twijfel. Naar binnen
gaan of niet? Ik kijk rond. Er zijn geen mensen. Enkel de bloemist en ik. Niet dat wij geen mensen zijn. Een haast lege winkel, dat
moet lukken. Niet flauw doen. De dag moet meer zin krijgen, ervoor zorgen dat de taal niet uitdooft. Ik stap het ideale scenario binnen, laat me leiden door de geur en
door de pijlen op de grond. De bloemist zwaait van achter de hoek.
Hij: ‘Kan ik u helpen?’
Ik: ‘Ik kocht een dikke week geleden rozen. Mooi en vrij noodzakelijk, maar ze
geurden amper. Ze zijn verwelkt ondertussen, dus vervanging dringt zich op. Kunt
u me de bloem uit uw winkel geven die het meest nazindert?’
Hij kijkt rond en denkt zichtbaar na: ‘Het spijt me. We
hebben geen bloemen die geuren.’
Ik kan mijn ontgoocheling amper verbergen: ‘Echt? Geen enkele?’
Ik denk dat ik me vergist heb van winkel. Geen geurende bloemen in een speciaalzaak
voor bloemen. De award voor de beste sketch gaat naar …, hij haalt me uit mijn
gedachten.
Hij: ‘Nee, vandaag niet vrees ik. Morgen worden de lelies
geleverd. Die geuren hard. Soms een beetje té. Morgen na de middag, schat ik. Dan kan ik u een boeket maken.’
Ik: ‘Oh jammer, ik kon de bloemen vandaag wel gebruiken maar dan
kom ik waarschijnlijk morgen terug.’
Hij denkt na. ‘Moet het een bloem zijn?’
Ik: ‘Het mag eender wat zijn, zolang het maar groeit en ik
er aan kan ruiken. Het liefst zonder houdbaarheidsdatum, als dat kan.’
Hij neemt even de tijd, overloopt alle planten in gedachten.
‘Ik denk dat ik wel iets weet. Kom maar mee.’
Ik strompel achter hem aan. Je bent geen pinguïn op het droge, denk ik. Geen vis die naar adem hapt zoals de karpers in de veel te kleine vijver, waar ik aan voorbij ga. Focus niet op de vissen. Je bent een klant bij een bloemenman. Je kent het hier, was er al eerder. Angst is overbodig. Zelfs bij een florist. Focus opnieuw op het goede. Het betere nieuws van de dag: hij trekt geen tanden. Het minder leuke: het leven valt me zwaar. Of ikzelf. Soms twijfel ik wie wie het meeste aansteekt. Dat krijg je als je pralines eet. Ze schuren nog na, alsof mijn lijf alles wil verteren op die ene noot na dan. De doorsnee kleine centimeter te veel.
Hij kent zijn winkel goed, denk ik. Hij weet precies waar hij moet zijn.
Hij neemt me mee naar de lelijkste plant uit de winkel.
Alsof hij mijn gedachten leest, zegt hij: ‘Het is wel écht een lelijke plant, niet iets om uit te stallen, maar ruik maar.’
Ik ruik. De plant vult mijn neus. Daar staat hij: mijn
vader. Zonder rollator, zonder stok, zonder leed onder zijn oogleden en stevig op beide voeten. Ik ben te klein en weet nog niet hoe de wereld precies in elkaar zit. Ik wil niet geloven dat wat ik al zag steeds terug zal keren als een boemerang, een rots die telkens naar beneden valt of een perpetuum mobile. Men kan mij nog lolly's voorhouden of vertellen dat de kikker uit de vijver ooit in een prins zal veranderen. Hij
neemt me bij de hand en brengt me naar een grote struik die zijn tuin siert. Pluk
maar een blaadje, rol het tussen je handen, hou het voor je neus en zie wat er gebeurt. Ik trek grote
ogen en doe het. De zachte blaadjes strelen mijn vingers, alsof ze van dons
gemaakt zijn. Een bedje van bladeren. Ik rol en ruik, herhaal mezelf. Ik wil juichen maar toom me in. Zelfs kleine meisjes kunnen beheerst zijn. Het kriebelt tot in mijn dikke teen. Alsof ik een handjevol verse citroenen heb
gewonnen zonder prestatie vooraf. Ik snuif. Ik knijp mijn ogen dicht. Ik snuif opnieuw tot mijn neusvleugels ervan gaan
trillen. ‘Wat ruikt dat heerlijk’ zeg ik, terwijl ik het blaadje stiekem in
mijn zijzak stop om het later weer tevoorschijn te kunnen toveren. “Citroenmelisse” zegt hij terwijl ik denk dat
het een mooie meisjesnaam was geweest. Het klinkt, het dartelt en landt zachter
dan de doornen waar ik eerder in viel. Het kleefkruid waarmee ik mezelf zo graag behang, wordt vervangen door een nieuwe favoriet.
Ik: ‘Wauw. Ik neem hem.’
Hij: ‘Wacht, ik heb ook nog een mooiere versie.’
Hij schuift een rij naar achteren en komt terug met een plant die voller lijkt dan drie van de anderen samen.
Ik: ‘Schoonheid zit vanbinnen. Hoe hij eruit ziet
doet er echt niet toe, ’t is wat hij met me doet dat telt.’
Hij: ‘Zeker? Kijk, dit is zijn broertje.’ Hij houdt de plant iets naar voren. ‘De meeste mensen kiezen deze.’
Ik denk dat ik nooit tot de soort van de meeste mensen heb behoord, ruik en zeg: ‘Neen, de andere geeft meer geur af. Mijn besluit
staat vast, geloof ik. Houdt hij van licht?’
Hij: ‘Ja, en hij houdt ook van water.’
Ik denk dat ik het deze keer niet mag verpesten. Mijn gedachten dwalen af naar het trieste lot van de bananenplant zonder bananen die ooit veelbelovend in huis werd gehaald en hoe het deze anders zal vergaan. Te jong, te vroeg. Ik ben al wat ouder. Niet dat dat garanties biedt. ‘Licht en
water, dat moet lukken. Hij komt in mijn leefruimte.’
Hij: ‘Heeft u een zonnige living?’
Ik: ‘Ja, er is veel lichtinval.' Dat ik het te vaak donker laat zijn omdat ik het zonlicht al een tijd amper kan hebben, vertel ik hem niet. Men hoeft niet alles altijd te weten. 'Is het Citroenmelisse?’
Hij: ‘Neen, het is iets anders maar het lijkt er op. Hij behoort tot dezelfde familie. En nog een voordeel: hij houdt de muggen op afstand. Je moet gewoon ’s
avonds wat blaadjes tussen je vingers rollen, best voor het slapen gaan.’
Ik denk dat het te lang geleden is dat ik goed sliep. Ik denk ook dat ik te veel denk, zeg: ‘Een plant die gestreeld wil worden. Net wat ik nodig had.’ Onderweg naar huis, lijkt mijn auto een citroen op wielen. Als ik de sleutel in het slot draai, staan mijn pas thuis gekomen tieners mij op te wachten. Ze vertellen over hun dag op school, zeggen langs hun neus weg: ‘Oh een plant’ waarna ze verder praten over de 'supercoole en grappige leerkracht van Techniek' terwijl ik denk dat ik daar toch even moet ingrijpen met de grote goocheltruc van hun grootvader en zeg met een knipoog: ‘Goed zo. Andere leerkrachten dan die van Godsdienst en Nederlands kunnen ook leuk zijn. Blij dat jullie dat ook mogen ervaren. En dit is niet zomaar een plant. Ik maak een handgebaar. Hocus, pocus, pats: ruik maar.’ Ze ruiken. Ik wacht. Ze ruiken opnieuw. Dit duurt wel lang. Ik geef ze nog even. De klok tikt. Alles beweegt. Ze blijven zwijgen. Ik haal mijn wenkbrauw naar boven: ‘En?’ Een langgerekte ‘euhm’ vult de ruimte. ‘Oké, nee, andere tactiek’ zeg ik. ‘Wrijf eerst over de plant en ruik daarna.’ Twee paar mooie grijsgroene ogen staren me aan. Ze kijken naar elkaar en lachen ongemakkelijk. De tweede ‘euhm’ volgt de eerste op, maar langer dan, alsof de eerste in het niets verbleekt. Iemand moet ingrijpen. Ik zal het zijn. ‘Citroen!’ zeg ik iets te bombastisch, terwijl ik denk: ‘Ik moet mijn kinderen dringend opnieuw leren ruiken.’
(Daarna tover ik pralines tevoorschijn. ‘Mmm mmm pralines. Komen
die ook van bij de bloemist?’ ‘Nee, van bij Leonidas.’ De witte pralines werken altijd.)



Reacties
Een reactie posten