Onder water
Je steekt je hoofd onder de kraan. De herinnering haalt je
in. Voelen, denk je terwijl je naar lucht hapt in water en weet dat het niet
kan. Je bevriest en beseft dat het niet langer een functie heeft. Er is geen man meer die de deur tegen je aan gooit, die je met je rug
tegen de muur plaatst en blijft duwen tot je vreest dat je botten zullen breken. ‘Ik moet
sterk zijn’ denk je en je tracht je te vermannen in de vrouw die je bent. Je weet ondertussen dat pijn relatief is en
dat het in vele vormen verschijnt. Er is geen kind dat de lucht uit zijn longen
perst. Hoe kan iets verdwijnen wat diepgeworteld in je cellen zit?
‘Onder en boven water blijven’ spreek je jezelf toe. 'Je hoofd erbij houden.'
Je wil verbannen wat je ooit lief leek in zijn naakte
essentie, maar weet niet of je jezelf graag blaasjes wijsmaakt en vergeet dat een boemerang steeds terug ketst. Je herhaalt het
stopwoord als een mantra, verbeeldt het bijpassend bord. Verboden
terrein. Je ziet de wachters, hoort hen vragen wat je komt doen in je eigen
hoofd
en zegt: ‘Ik wil hier niet langer wonen.’
‘Waarom sta je dan telkens aan de poort van je gedachten?’
vragen zij.
Je kent het juiste antwoord niet. De verbijstering hoeft niet alles te
weten. Er is een sterkere kracht waartegen je vecht. Je probeert: ‘Omdat het lijkt
alsof de deur naar me toekomt in plaats van andersom.’
‘Maak je uit de voeten,’ zeggen zij. ‘Het is hier niet veilig.’
Hoe leg je hen uit dat je het liefst van al de plaats wil
laten oplossen, de wachters in rook wil laten opgaan en met hen het huis waar
angst in de muren is gekropen. Je wil de tijd systematisch laten verdwijnen en
een handvol van wat mooi was, wil je overhouden. Je wil niet langer in de man
die de jouwe niet meer is maar die in het woord van zijn aanspreektitel gaten
in je blijft boren. Je bent een vat. Je loopt leeg en weet niet waar je vingers
eerst te houden.
Je zou uit je eigen verleden beelden filteren en je keuze zou niet
slecht zijn. Men zegt jou dat je het donker nodig hebt om licht te kunnen
aanschouwen, maar jij gelooft niet in zwart-wit contrasten. Je bent meer te
vinden voor matige mildheid, voor afgemeten orde in je hoofd en voor
chaosontbinders. Voor liefde nog het meest. Je zou vooral de liefde willen overhouden
en al de rest vergeten.
Ze zouden je vragen of er dan sprake van was, want hoe maak
je waanzin mooier en meetbaar? Je zou zeggen dat je dat je een vorm van liefde pas
later zou ervaren en je zou geen namen noemen, want letters laten je herinneringen
lezen. Je wil jezelf oud zeer en verbeelde romantiek besparen, maar ze duiken op en jij
duikt onder. Je spartelt als een vis op het droge en je baant je een weg door
de kolk die het leven laat draaien.
‘Ik zou nooit een goede vis zijn,’ denk je.
Anke Verleysen (v2)

Dikke knuffel
BeantwoordenVerwijderen