Eilandoverlevers

foto AV

Eilandoverlevers noemde ik ze in een bestand. Je moet wat verbeelding hebben om mijn wereld draaiende te houden. Zij die de selectie voor de blog nog niet haalden. Zij die uit de boot vielen, overleefden en door het zwemmen toch nog de rand haalden. Een selectie van quotes en korte, kleine oudere fragmenten (eerste versies) uit de gebundelde teksten van de voorbije 2 jaren.


Als je naar ziektebeelden zoekt, wil ik anders wel eens gillend weglopen.

 ***

 Kleine zij: ‘Mama, doe nog eens dat trucje.’

Zij: ‘Met wat?’

Kleine zij: ‘Met jouw woorden.’

Zij: ‘Ik hou van je.’

 ***

 

Zij: ‘Zoon wat heb jij vandaag al gedaan om de mensheid te veranderen?’

Hij: ‘Mijn huiswerk gemaakt.’

 ***


Het is niet het nummer op je weegschaal dat telt. Het is het aantal keer dat je vandaag glimlachte.

 ***

 Ik zie de magnolia op mijn camera en denk: ‘wat is de wereld klein geworden.’

 ***

 

“Hier mag je vloeken.”

“Goed dan: verdorie.”

“Dat mag met intonatie.”

“Vèrdorie.”

“De klemtoon mag op de O liggen.”

“Verdórie.”

“Bijna goed genoeg. En nu mag je het menen.”

  ***


Hoe krijg ik de liefde terug in je lijf? 

Misschien moeten we meer tijd aan de dagen toevoegen zoals die ene keer waarop ik het uur was vergeten. Wat waren we mooier toen. De rusteloosheid hadden we uit ons lijf gekregen en we beschikten over een finesse waar we graag een draai aan gaven. ‘Als ik mijn zonnebril opzet, word ik onzichtbaar' zei ik. En ik verdween in je hand. Ik hoefde niet langer te tellen: ik wist dat je er vijf bezat en hield ze bij elkaar met de mijne. We konden zijn, zonder meer. We waren elkaars echo maar we zouden nooit geroepen hebben. We hielden het graag zacht.

 ***

 

Deurfragment: over zij die de dagen maken.

Het is kwart over vier als ik denk dat de wereld uit meer kan bestaan dan zes letters. Ik schrijf om de wereld hapklaar te maken. Schrijven, slikken, doorgaan tot haar geklop de kamer vult. Ze wacht een antwoord af en haalt voorzichtig de klink naar beneden. Ze zegt dat ze niet wil vertrekken zonder afscheid te nemen. De deur werd al iets te vaak dicht gelaten. Dat ze toont hoe het ook anders kan, maakt me week.

‘Ik ben pudding’ denk ik, ‘en toch ben ik vandaag stevig genoeg om overeind te blijven’.

Ik verzwijg dat ze met zichzelf ook de zomer binnen laat. Ze zegt dat ze in verlof gaat.

‘Waai uit en wapper’ denk ik ‘als een vlieger die hoog genoeg de lucht in schiet om salto’s te maken en in zijn vlucht wat wolken kan kussen. Raak je staart even aan zonder jezelf in de knoei te leggen. Alleen beoefende vliegeraars* kunnen dat. En puppy’s, al kan je die sneller ontwarren. Blijf even boven zweven om te kijken naar hoe klein de dingen worden als je ze vanop een afstand bekijkt. Daal daarna af maar doe het voorzichtig. Het zand kan hard zijn voor een vogel die in al zijn enthousiasme de vleugels vergeet te spreiden. Kom terug in al je vormen en zonder schrammen. Zo heb ik je graag: heelhuids.’

En ik zeg: ‘Geniet ervan.’

 (*vliegeraar: titel van het boek van Khaled Hosseini)

 ***

Gelukzoekers

‘We zitten in ‘Happy Times’ op de Zeelaan,’ stuurt ze me als ik de Liefjeslaan in rijd en me in de kant nestel. Laat het een self fulfilling prophecy worden, denk ik. Mijn batterij is ver plat, ook die van mijn gsm. Ontkenning en negatie, dat moet me erdoor helpen vandaag. Mensen in massa. Rennen. Nee! Rustig blijven. Focus verleggen naar het etablissement. Ademen. Puffen desnoods, zonder bevalling. Je kan het. Vriendelijk zijn. Het is niet zo moeilijk. Het komt goed. Zo niet, dan toch. Je hebt het al eerder gedaan. Poepschuddende meisjesstreken op de Night of the Proms. Voor minder ga je niet. Ademen dus en volhouden. Wees je eigen kleine held. De pijnlijke grimassen van een overdosis volk en een lijf dat beter behandeld wil worden, negeer ik. De slaap laat me in de steek, maar er is make up. Wat maakt het ook uit. De Proms is geen modeshow, al laat het soms anders vermoeden als ik om me heen kijk. Ik ga niet. Toch. Ik ga door de afstand en de weerstand heen en baan me een weg naar de vriendschap. Bart Peeters presenteert en voor elke ‘ei’ die langs me glijdt, krijgt hij van mij een ‘o’. Ik wil het leven graag in balans houden. Wat doet hij dat goed, denk ik, als een huppelkonijn op batterijen die nooit leeg lijken te lopen. Ik wil zijn pillen. Ik wil weten wat hij eet en hoeveel liefde hij nodig heeft om zo te kunnen bestaan. En dan wil ik alles afmeten. Het podium, de meisjes, mezelf. En dan ga ik niet meer nadenken en in mijn handen klappen, zoals me dat geleerd werd. Ik ga tranen opvangen van zij die zich herinneren, melodieën in mijn hoofd matchen met een orkest even verderop en mezelf bij elkaar houden. Misschien fluit ik zelfs tussen mijn tanden.

 ***

 

De cirkel 

Ze vraagt me waar ik bang voor ben. Voor treffende gelijkenissen en overtreffende trappen. Elk woord dat begint met te is er één te veel. Misschien ben ik bang voor de angst van een verleden dat op de loer ligt en met elke traan even om de hoek komt kijken. Ik wil niet selectief zijn, noch voor mezelf, noch voor anderen maar ik ben bang voor de sneer die nog moet komen, van het kind dat niet gehoorzaam genoeg was en dat nooit genoeg zal zijn, van de volwassene die op hoge benen een loopje met het leven neemt en al wat raakt tussendoor laat passeren. Ik ben bang voor de liefde en voor de dood, voor de leegte, voor het leven omdat het soms uit te veel herinneringen bestaat. Ik ben bang dat voelen kwaadheid laat opborrelen, als champagne die te lang gerijpt heeft om nog drinkbaar te zijn. Een zoete zonde in’t kwadraat met een wrange nasmaak. Ik wil me niet mengen in een draaikolk waarvan ik niet op voorhand kan weten wanneer ze ophoudt te bestaan. Ik ben bang voor wat ademen doet. Als we het leven even volop loslaten vanuit een je m’en foutisme-houding, komt de dood dan niet stapsgewijs dichterbij? Voet na voet en op fluistertoon, haast onhoorbaar. Doet hij dat al niet sowieso?

‘We moeten leven,’ zeg ik, ‘we moeten zingen zonder gefluister.’

‘Waarom word je steeds bang?’ vraagt ze.

‘Omdat ik niet boos kan zijn,’ zeg ik.

‘Waarom word je nooit boos?’ vraagt ze.

‘Omdat het me bang maakt,’ zeg ik.

 ***

 

Spinnen tem je niet zomaar

 Er zit een spin boven het bed. Ik weet het als ik zijn poten tel en besef dat hij er twee te veel heeft om ooit mijn vriend te kunnen worden.

‘Ik zal je niets misdoen’ zegt hij.

‘Ik weet het,’ zeg ik,  ‘maar ik besta uit meer dan rede en als ik jou zie en in je grote hoeveelheid aan ogen kijk, nemen mijn irrationele angsten het volledig van mij over.’

‘Kunnen we tot een deal komen?’ vraagt hij.

‘Dat hangt ervan af hoeveel choco er mee gemoeid is,’ zeg ik.

‘Ik moet je teleurstellen,’ zegt hij, ‘maar ik heb een beter alternatief. Ik verlaat zo snel mogelijk de kamer via de kortste weg, en jij doet me niets.’

Hij neemt de pootjes, over het waterbed heen, langs de ronding van mijn borst, door het kijkgat van mijn negligé om via mijn voeten het bed af te springen en zo de dichtstbijzijnde kamer binnen te gaan.

Ik schud de nachtmerrie verder van me af en ben betrouwbaar: ik doe hem niets, onderweg.

In de verte gilt een kind.

 ***


Reacties

Populaire posts van deze blog

Elfjes

vrouw

poëtisch kortverhaal