Het verdriet van de mier
Op een dag huilde
Mier tranen met tuiten. Haar bolle wangen waren opgeblonken door het nat dat
als een rivier zijn weg zocht en met haar poten mee, plassen vormde aan de stam van de beuk.
Mier probeerde nog met schors haar tranen droog te deppen, maar niets leek haar
verdriet op te kunnen vangen. Bijna alle wormen in de grond kropen nog dieper door
het geluid dat Mier maakte en al de vogels in het bos zetten het op een vliegen
omdat er geen wormen meer voorradig waren.
Ze waren boos op
mier en kwetterden in hun vlucht: ‘Dit is ten zeerste ongepast, een mier die zo’n
decibels verspreidt. Ze moest zich schamen. Mier vormt een grote last.’
Mier voelde zich
eenzaam en zag hoe haar schuilplek langzaam in een waterplas veranderde. Ze
huilde en huilde en dacht dat er nooit een eind aan zou komen. Haar uithalen verrasten
ook Krekel die verderop vrolijk aan het tjirpen was. Hij had net die dag een andere
leuke Krekel ontmoet, zong een lentelied en sprong daarbij als een dolgedraaide
langspriet in het rond. Krekel vroeg zich af waar het geluid vandaan kwam en ging
op pad. Onderweg kwam hij Egel en Eekhoorn tegen. Zij hielden allebei hun
pootjes in hun oren omdat ze het gehuil van Mier te drammerig vonden. Hij kon
hen niet vragen waar de ongelukkige woonde want ze zouden hem toch niet gehoord
hebben. Aan Slak vroeg hij wie er zoveel verdriet kon hebben. Zij slijmde: ‘Misschien
is het Mier, maar niemand die het ziet want haar deur staat op een kleine kier.’
‘Waarom gaat
niemand er dan langs’ vroeg Krekel aan Slak.
‘De meeste dieren
zijn zo gelukkig in het bos dat ze bang worden van verdriet. Als ze wegvliegen
of hun poten in hun oren steken dan bestaat het verdriet voor hen niet,’ slijmde
Slak verder.
‘Iemand moet haar
troosten’ dacht Krekel en hij sprong en zweefde als een gekkerd in de lucht tot
hij bij het huisje van Mier aankwam.
‘Mier, lieve Mier,
waarom huil je zo?’ vroeg Krekel terwijl hij aan het blad schudde dat Mier als
deur gebruikte. Het huis van Mier bestond enkel uit een blad dat als deur
dienst deed. Er was geen dak. Het was er kil en vochtig. Het blad vertoonde een
scheur waarlangs Mier kwam piepen. Ze verschool haar gezicht achter de randen
van het blad. Dikke tranen borrelden tussen haar poten op.
‘Krekel, ga weg,’
zei Mier, ‘jij bent net als de anderen een gelukkig dier. Je bent niets met een
Mier zoals ik en mijn tranen zijn misschien besmettelijk.’
‘Lieve Mier,’ zei
Krekel, ‘kom hier en laat me je troosten. Misschien kunnen we samen muziek
maken of kan ik je leren hoe je gelukkig wordt.’
Mier zei: ‘Dat
kan niet Krekel. Ik ben te verdrietig om vrolijk te worden.’
Krekel kwam
dichterbij. Hij hield zijn poten voor Mier open en zei: ‘Toe maar, lieve Mier. Hier
mag je jezelf zijn. Ik zet het niet op een lopen. Ik blijf bij jou tot je ogen
weer spreken.’
Mier voelde hoe
zijn dunne poten zich om haar mierenlijfje sloegen. Ze vertelde over het vallen
van de beukennootjes. Over hoe er eentje op haar hoofd was beland en hoe een ander
nootje haar huis had verwoest. Ze zei hem dat ze al dagen niet meer geslapen
had en toonde hem de wallen onder haar ogen. Ze sprak over hoe onveilig het voor haar
was omdat ze nooit wist wanneer er een nootje zou vallen en of dat weer haar hoofd zou raken. Ze toonde Krekel de builen en bulten, de kraters die de stekels
van de bolsters veroorzaakt hadden. Krekel zweeg en luisterde als nooit tevoren.
Wanneer Mier uitgehuild was, zei hij: ‘Blijf waar je bent Mier. Ik ben zo
terug.’
Even later kwam Krekel
terug met Eekhoorn en zijn vriend. Ze hadden hun poten niet langer
in hun oren. Ze klommen langs de stam van de beuk omhoog en verspreidden zich
over de takken om alle beukennootjes te verzamelen. De bolsters legden ze apart
op een hoopje. Krekel ging met de massa aan de slag en hing een bolster aan
een oud spinnenweb omhoog. Hij verving de deur door een nieuw blad en maakte
voor Mier een bedje van schors en bladeren. Hij droogde de plassen met nieuwe
bosgrond en waste zijn pootjes in de rivier verderop. Mier wist niet waar ze het
had. In al die dagen waarop ze verdriet gevoeld had, was er niemand geweest die echt had geluisterd tot Krekel verscheen. Ze bedankte hem, gaf hem wat honingdauw van een
verse bladluis om zijn honger te stillen. Krekel smulde gretig. Na het diner
ging Krekel naar huis. Mier was erg moe en geeuwde tot haar wangen er pijn van
deden. Ze keek naar haar nieuwe thuis en besefte hoe lief Krekel was geweest.
Ze nestelde zich tussen
de bladeren, viel in een diepe slaap en droomde dat het geluk
van Krekel misschien toch een klein beetje besmettelijk was.
tekst Anke Verleysen

Reacties
Een reactie posten