Het verdriet van de mier

 

tekening AV

Het verdriet van de mier
(voor G., eerste versie)

Op een dag huilde Mier tranen met tuiten. Haar bolle wangen waren opgeblonken door het nat dat als een rivier zijn weg zocht en met haar poten mee, plassen vormde aan de stam van de beuk. Mier probeerde nog met schors haar tranen droog te deppen, maar niets leek haar verdriet op te kunnen vangen. Bijna alle wormen in de grond kropen nog dieper door het geluid dat Mier maakte en al de vogels in het bos zetten het op een vliegen omdat er geen wormen meer voorradig waren.

Ze waren boos op mier en kwetterden in hun vlucht: ‘Dit is ten zeerste ongepast, een mier die zo’n decibels verspreidt. Ze moest zich schamen. Mier vormt een grote last.’

Mier voelde zich eenzaam en zag hoe haar schuilplek langzaam in een waterplas veranderde. Ze huilde en huilde en dacht dat er nooit een eind aan zou komen. Haar uithalen verrasten ook Krekel die verderop vrolijk aan het tjirpen was. Hij had net die dag een andere leuke Krekel ontmoet, zong een lentelied en sprong daarbij als een dolgedraaide langspriet in het rond. Krekel vroeg zich af waar het geluid vandaan kwam en ging op pad. Onderweg kwam hij Egel en Eekhoorn tegen. Zij hielden allebei hun pootjes in hun oren omdat ze het gehuil van Mier te drammerig vonden. Hij kon hen niet vragen waar de ongelukkige woonde want ze zouden hem toch niet gehoord hebben. Aan Slak vroeg hij wie er zoveel verdriet kon hebben. Zij slijmde: ‘Misschien is het Mier, maar niemand die het ziet want haar deur staat op een kleine kier.’

‘Waarom gaat niemand er dan langs’ vroeg Krekel aan Slak.

‘De meeste dieren zijn zo gelukkig in het bos dat ze bang worden van verdriet. Als ze wegvliegen of hun poten in hun oren steken dan bestaat het verdriet voor hen niet,’ slijmde Slak verder.

‘Iemand moet haar troosten’ dacht Krekel en hij sprong en zweefde als een gekkerd in de lucht tot hij bij het huisje van Mier aankwam.

‘Mier, lieve Mier, waarom huil je zo?’ vroeg Krekel terwijl hij aan het blad schudde dat Mier als deur gebruikte. Het huis van Mier bestond enkel uit een blad dat als deur dienst deed. Er was geen dak. Het was er kil en vochtig. Het blad vertoonde een scheur waarlangs Mier kwam piepen. Ze verschool haar gezicht achter de randen van het blad. Dikke tranen borrelden tussen haar poten op.

‘Krekel, ga weg,’ zei Mier, ‘jij bent net als de anderen een gelukkig dier. Je bent niets met een Mier zoals ik en mijn tranen zijn misschien besmettelijk.’

‘Lieve Mier,’ zei Krekel, ‘kom hier en laat me je troosten. Misschien kunnen we samen muziek maken of kan ik je leren hoe je gelukkig wordt.’

Mier zei: ‘Dat kan niet Krekel. Ik ben te verdrietig om vrolijk te worden.’

Krekel kwam dichterbij. Hij hield zijn poten voor Mier open en zei: ‘Toe maar, lieve Mier. Hier mag je jezelf zijn. Ik zet het niet op een lopen. Ik blijf bij jou tot je ogen weer spreken.’

Mier voelde hoe zijn dunne poten zich om haar mierenlijfje sloegen. Ze vertelde over het vallen van de beukennootjes. Over hoe er eentje op haar hoofd was beland en hoe een ander nootje haar huis had verwoest. Ze zei hem dat ze al dagen niet meer geslapen had en toonde hem de wallen onder haar ogen. Ze sprak over hoe onveilig het voor haar was omdat ze nooit wist wanneer er een nootje zou vallen en of dat weer haar hoofd zou raken. Ze toonde Krekel de builen en bulten, de kraters die de stekels van de bolsters veroorzaakt hadden. Krekel zweeg en luisterde als nooit tevoren. Wanneer Mier uitgehuild was, zei hij: ‘Blijf waar je bent Mier. Ik ben zo terug.’

Even later kwam Krekel terug met Eekhoorn en zijn vriend. Ze hadden hun poten niet langer in hun oren. Ze klommen langs de stam van de beuk omhoog en verspreidden zich over de takken om alle beukennootjes te verzamelen. De bolsters legden ze apart op een hoopje. Krekel ging met de massa aan de slag en hing een bolster aan een oud spinnenweb omhoog. Hij verving de deur door een nieuw blad en maakte voor Mier een bedje van schors en bladeren. Hij droogde de plassen met nieuwe bosgrond en waste zijn pootjes in de rivier verderop. Mier wist niet waar ze het had. In al die dagen waarop ze verdriet gevoeld had, was er niemand geweest die echt had geluisterd tot Krekel verscheen. Ze bedankte hem, gaf hem wat honingdauw van een verse bladluis om zijn honger te stillen. Krekel smulde gretig. Na het diner ging Krekel naar huis. Mier was erg moe en geeuwde tot haar wangen er pijn van deden. Ze keek naar haar nieuwe thuis en besefte hoe lief Krekel was geweest.

Ze nestelde zich tussen de bladeren, viel in een diepe slaap en droomde dat het geluk van Krekel misschien toch een klein beetje besmettelijk was.


tekst Anke Verleysen



Reacties

Populaire posts van deze blog

Elfjes

poëtisch kortverhaal

Aanloop - gedicht