Vinden

 

spot


Ze wacht op de trein en ze lacht. Daar begint een leven en daar zal het ooit ophouden. Terwijl ze zich met het gezicht richting de zon beweegt voelt ze hoe de sneeuw zich in haar lijf heeft verscholen en haar botten laat bevriezen. Ze rilt haar lichaam bij elkaar. Ik zou een sneeuwman kunnen zijn, denkt ze. Nog voor ze een neus kan verzinnen zal ze smelten. Ze is te klein om lang te blijven. Ze heeft woorden opgeslagen in de lades van haar zijnskast. Voorzichtig trekt ze de bovenste schuif naar zich toe en geeft ze wat zinnen de vrije loop: “Je bent goed genoeg.” Ze weet nog wie, waar, wanneer en hoe ontroerd ze was dat er een wetenschap bestond dat mensen goed genoeg maakte. Ze heeft zijn theorie een naam gegeven. Hij is geen wetenschapper en heeft nooit die ambitie gehad, maar hij weerlegt de conclusies die de anderen haar oplegden. Hij haalt de vastgeroeste pinnen uit haar hoofd en stopt hen in een zeepsop van vertrouwen. Zijn werk is van lange adem. Hij blaast kringen in de koude lucht. Ze telt zijn ademhalingen omdat ze iets nodig heeft om de wereld kleiner en meer vertrouwd te maken. Hij gelooft dat zij meer is dan de verhalen die haar angstig maken. Daarom maakt ze hem groter, daarom voelt ze zich een gelijkgestemde door alle verschillen heen en daarom geeft ze hem een naam: de wetenschapper van het andere, zachtere leven. De vlokken die uit de wolken neerdalen, leggen een laagje over haar hoofd en haar gedachten. Ze wappert met het biljet dat uitwijst waar ze heen wil gaan. Ze zal vandaag bestaan in beelden omdat er dagen zijn waarop ook dat genoeg zal blijken. ‘Je bent goed genoeg.’ Zijn zware stem is een mantra waarmee de trein het spoor voor zich neemt en met rasse schreden nadert. Ze verzint er stoom bij en een fluitsignaal. Alles wat stoomt, gaat dieper. Alles wat strijkt, maakt plooien glad. Er moeten verschillende vormen van koesteren bestaan, denkt ze. Het klinkt als een woord waarin ze zich verder wil wikkelen, tot ze niet zichtbaar meer is en men haar zal zoeken. Soms is ze klaar om gevonden te worden, maar dan weet ze geen houding aan te nemen. Alsof het bestaan in haar lichaam genoeg is om de ruimte anders in te delen. Dan zoekt ze naar plekken die zij enkel kent. Iedereen zou ooit gezocht moeten worden. Als ze voelt, is ze in beweging. Ze laat zich raken. De vlokken versmelten met het zilt van de traan op haar wang. Water maakt haar weker. Het spoor van de traan doet haar duizelen. Ze gedraagt zich afgemeten want dat is wat ze kent. Het vlak waarbinnen ontroering zich beweegt, wordt groter als men de mondhoeken even optrekt. Ze ondergaat. Ze beseft dat ze te hard was voor verdriet, dat -hoe koud het ook is- ook die kant van haar het zonlicht mag zien. Ze maakt een afdruk van de man die hij is. In de flinterdunne prent die ze van hem in haar hoofd bewaart, zal ze zich steeds veilig weten. Ze stopt hem in de schuif van haar gedachten, legt hem bij de woorden neer, bergt ze op zodat ze ooit weer uitgepakt kunnen worden. De trein stopt. De keuze die ze maakt ligt haar voor de voeten. Ze veegt met haar hand langs haar wang en dept droog waar ze kan. Een deur opent zich en zal straks weer sluiten. Ze stapt in, beseft dat er een onderweg bestaat en weet dat vandaag niets ooit nog hetzelfde zal zijn.


Watou

Foto's en tekst AV



Reacties

Populaire posts van deze blog

Elfjes

poëtisch kortverhaal

Aanloop - gedicht