thema muur: zijnszinnen
Eerste versies, schrijfsels van vandaag nav verhalen:
Muur
(bij A)
Je zegt dat ik lief ben
maar mijn lief zijn geleidt
het best door jou.
Ik wil wel de kapstok
voor je zijn, de plek
waar je eindelijk ongedwongen
door mag hangen, het haakje
dat je overeind houdt.
Ik wil eerst om je toestemming
vragen zodat je stopborden
niet nodig blijken,
maar ik ben slechts een opgezet stuk
dat zich te vaak verliest in steen.
Ik maak mezelf tot jouw spiegelbeeld
en hou je wat bakstenen armen voor.
Ik wil zachter zijn dan de woorden
die jouw voeten grond geven.
Ik ben meer dan de muur
die voor je valt en aan je zin
blijft kleven.
Anke Verleysen
-------------------------------------------------------
Hel
(Bij W)
Ze steekt haar tong
naar hem uit, doet het
in duivelsverzen en lacht
de hel bij elkaar.
In haar zoeken naar water
weet ze al lang welke richting
er vooraf wordt uitgegaan.
De duivel weert zich in wijwater
en in het lijf dat ze strak heeft ingepakt.
Ze tracht het verdrinken
minder eng te laten lijken
door potloden te scherpen
en zelf op scherp te staan.
Het puntje van haar staart
snijdt de weg in twee
en wijst de andere richting aan.
Ze sist het nat van zich af en wast
haar eigen wonden schoon.
Anke Verleysen
-----------------------------------------------------
Tellen
(bij W)
Ze telt de vingers
die ze graag bezit,
vergeet er een veelvoud
van te nemen.
Ze moet het doen
omdat er te weinig handen zijn
die haar dragen. In mannen
wil ze zich verliezen
en wie haar wijsmaakt
dat ze wint trekt aan
het kortste eind. Ze verzamelt
rimpels in een hand.
Door getrokken levenslijnen legt ze
haar eigen toekomst vast:
over vijf jaar zal de laatste vinger
in het wuiven verstarren,
daar zal haar kind zichzelf
moeten heruitvinden.
------------------------------------------------------
Anke Verleysen
Terugslag
(bij W)
Je kromt je vingers
om de bal aan het rollen
te houden maar je botst
tegen de muur waartegen
alles afketst, ook jij.
Je drukt je uit in woorden
die al vaker het levenslicht
zagen: een tunnel vangt pas zon
aan het eind van de meet.
Anke Verleysen
-----------------------------------------------------------
Rebellie
(bij S)
Je hebt het gehad met de tijd:
de stenen die de muur moesten stutten
alsof het mensen zijn wiens handen
je over je hoofd houdt, dreigen te vergaan.
Je hoopt alsnog dat de stenen kruimels worden
en dat de heg voortaan uit brood bestaat
waarvoor de kraai zijn bek de andere kant
op draait, dat roodkapje weer met je praat
en dat de depressie als wolf wordt vermoordt.
Maar je gelooft niet langer in sprookjes.
Ze duren te lang en niet elk varken
heeft een krulstaart.
Anke Verleysen
--------------------------------------------------
Sleutelwoord
(Bij M)
In het gemis van zijn zijn
probeer je de stilte te vangen:
fragmenten van hoe hij vroeger was.
Ze vliegen met de woede mee.
Je merkt dat hij binnen de lijnen
niet goed meer gedijt
en uit de boot dreigt te vallen.
Je trekt grenzen, zet jezelf op de kaart.
Daarom rij je de auto niet meer voor
en geef je hem een afgemeten grasperk
waarin de borden hem zeggen waar hij
voortaan moet staan.
Respect zou verplicht moeten zijn
binnen een uitgezet kader.
Als dit huis een boek was,
zou de muur het sleutelwoord
als open eind voor jou bewaren.
Anke Verleysen
----------------------------------------------
Troostmaker
(bij M)
Geef je gezicht aan mij.
Mannen maken anders ruzie.
Ze zalven met dikkere vingers.
Hun handen zijn ruwer en hun stem
houdt een zware bas bij elkaar.
Gebulder is slechts een vorm
van pijn die niemand anders ziet.
Geef je gezicht aan mij.
Ik zal voor je zorgen.
Ik zet je mondhoeken op zijn plaats
en steek de glimlach opnieuw
in je ogen.
Geef je gezicht aan mij.
Ik leer je te vergeven
en zorg te dragen voor
alledaagse vormen van verdriet.
Ik geef je tranen,
voed je woede niet.
Geef je gezicht aan mij.
Anke Verleysen
---------------------------------------------------
Schimmen
(bij M)
We hebben ons praten
te weinig woorden gegeven.
We zochten naar balans
maar vonden elkaar niet langer
in het midden.
‘Ik heb je rem niet gestolen,’ zeg je
terwijl je er met haar leven vandoor raast,
‘ik wou je het medicijn voor angsten
geven maar kende enkel je verdriet.’
Vrees de man niet: hoe groter ze lijken,
hoe kleiner ze zijn. Het zijn de schaduwen
die we uit elkaar moeten houden.
Anke Verleysen
---------------------------------------------------
Geurhinder
(bij M)
Moeten we blijven bestaan
door ziektedagen heen
en wie weet ons dan nog te redden
als de man met de hamer komt?
We zitten samen op de rand
van het verleden en kijken naar
oud zeer dat ons meer raakt
dan we dat zouden willen.
We dekken de geschiedenis
niet langer toe, laten de put
tussen ons in verder stinken
en al wat we eigenlijk hoefden
te doen was het deksel
opnieuw vinden
maar wij hadden liever
geen neus gehad.
Anke Verleysen
--------------------------------------------------
Bodemloos
(bij M)
We houden onze voeten
op een grond die niet langer
als de onze voelt.
We bestaan uit stenen
waarmee we een hart
trachtten te bouwen.
We dachten dat het wel
vanzelf zou kloppen
maar we hebben ons
zoals vroeger vergist.
Niet alles wat we aanraken
verandert in goud:
noch het hart,
noch de grond,
noch onze voeten.
Anke Verleysen
--------------------------------------------------
Pauze
(bij M)
Het zal in de tekst
moeten zijn
dat ik je komma’s
leer te zien.
Wat zijn haken
als ze enkel
op zichzelf bestaan?
Hoe later we ze
opmerken, hoe sneller
we dreigen te struikelen.
Als we onszelf nu al verliezen
in korte adempauzes
waar moeten wij dan ooit nog
een punt zetten?
Anke Verleysen
---------------------------------------------------
Kleiner
(bij M)
Alles gaat weg: wij,
dit lichaam dat we
tot het onze maken,
de ruimte tussen ons in
die steeds kleiner wordt
naarmate de dagen groeien,
niet omdat wij groter worden
en daarvoor de toestemming geven,
wel omdat het ooit anders was:
het zomerde in huis en in onze kleren.
‘We moeten de dagen verkorten,’
zeg je, maar wij weten niet langer hoe.
We verdraaien de uren,
hopen zo de dagen voor elkaar
te verdragen. Niet alles wat langer was,
krimpt.
Anke Verleysen

Reacties
Een reactie posten