De berg: kortverhaal






De berg 

Er was eens een berg die geen berg meer wou zijn. Hoe vaker hij probeerde om gruis te worden, hoe meer het mislukte. Soms spande hij al zijn rotsblokken op om in zijn grondvesten te daveren, maar hoe hard hij zijn best ook deed, niets hielp. Hij bestond niet uit ijs, hij kon geen lawines veroorzaken om kleiner te worden. Er was niets wat hem deed afbrokkelen, zelfs de zure regen niet. De berg was sterk en tegen alles bestand, behalve tegen zichzelf. De berg dacht dat hij beter af was als een hoopje aarde. 

Wat hadden mensen aan hem, als hij hen altijd in de weg stond. Als hij al mensen hoorde, zeiden ze steeds: “We moeten eerst nog die zware berg beklimmen.” Nooit was er iemand dat zei: “Joepie, weer een berg waar we vlotjes overheen kunnen huppelen.” Mensen waren een zeldzame soort. Ze woonden niet dichtbij en moesten van heinde en verre komen om hem te aanschouwen. Als ze hem zagen, spraken ze telkens in beladen woorden over hem waardoor hij zich vaak nog zwaarder voelde. De berg vroeg zich af hoe het zou zijn om zo licht te zijn als een pluimpje dat met de wind mee overal heen gevoerd kon worden. Helaas zat dat er voor hem nooit in. Hij was plomp, lomp en leek verloren. Hij stond daar moederziel alleen en had geen andere vrienden om mee te praten. Bovendien zou hij zijn medebergen nooit kunnen zien want na talloze pogingen had hij het draaien opgegeven. Er waren geen aanpalende dorpen met beklimmers die hij in de gaten kon houden. De berg was een unicum in zijn soort, zeldzaam maar eenzaam. 

Terwijl de berg verzwolg in zijn verdriet, gebeurde er iets vreemd. Aan de voet van de berg kwamen er ineens kranen tevoorschijn. De berg wist niet van waar ze aan kwamen draven. Niet goed beseffende wat er precies gebeurde, volgde hij alles op de voet. De kraanmannen groeven een gat uit en begonnen een fundament te leggen. Naarmate de tijd verstreek, werden er bakstenen aangeleverd. De berg kon alles gadeslaan en had eindelijk een dagtaak gevonden. Hoe meer hij wachtte, hoe groter het huis werd tot op een dag er een camion kwam aangereden vol met verhuisspullen. In de camion zaten er naast huishoudapparaten en meubels, ook nog twee kinderen. 

“Mama” gilden zij uit, “wat een prachtige berg. Mogen we er op spelen?” 

Hun mama die druk bezig was met het uitpakken van dozen was blij dat de berg als babysit kon dienen. De berg zijn hart vervulde zich met trots omdat hij van iemand het vertrouwen kreeg om er te zijn. Wat nu gebeurde, was hem nog nooit overkomen. De kinderen liepen naar hem toe en namen de kortste weg naar de top. Onderweg verzamelden ze stenen en bloemen. Bij elke nieuwe vondst, riepen ze het uit: “Kijk eens wat ik nu gevonden heb, wat een mooie steen! Een prachtexemplaar.” De kinderen zagen de berg zijn hoogte en zijn gevaar niet. Zonder morren liepen ze naar de top, alsof ze gewichtloos waren en gedragen werden door de berg. Bovenaan de top, riepen ze naar hun mama. Ze zwaaiden zo enthousiast met hun armen, dat hun hele lijfjes mee bewogen. 

Die avond was de berg voor het eerst blij dat hij een berg kon zijn. Hij was zijn hart verloren aan de twee kleine beklimmers en zijn leven was zinvol geworden. Hij was niet langer de berg die in de weg stond of de berg die te hoog was om te beklimmen. Hij was de berg die schatten op zich bewaarde. Door zijn bestaan, schonk hij het leven aan andere organismen. Ze groeiden en bloeiden op zijn ondergrond. Hij wist dat er door het olijke duo nog vele mooie bergjaren in het verschiet lagen. Toen de zon achter hem onderging, voelde hij voor het eerst weer de warmte van haar stralen. Hij besefte dat niets ooit nog hetzelfde zou zijn.  

Tekst Anke Verleysen


Terril in de buurt van Lille waar ik al enkele keren met de kinderen langs reed. De berg vormt een herkenningspunt en een vertrouwd element in het vlakke landschap. Silas en ik proberen hem steeds als eerste te zien.(foto Google)

Reacties

Populaire posts van deze blog

Elfjes

poëtisch kortverhaal

Aanloop - gedicht