De krabben van de kat: kortverhaal

 

De krabben van de kat.

 

‘Dit is onze liefste kat,’ zegt hij terwijl hij jongleert met haar poten. Hij houdt haar ondersteboven en legt haar in de lucht op haar rug. ‘Een trucje’ zegt hij ‘nu moet ze zelf zien overeind te komen’. ‘Straks breekt ze in twee,’ denk ik. ‘Ze is dat al gewoon’ zegt hij er nog bij. Ik zie hoe het beest in haar eigen angst verdwijnt en wild om haar heen begint te klauwen.

 

Mocht het mijn kind zijn, ik zou hem tegenhouden. Ik zou gillen, want ik voel dat ik dat eigenlijk het liefste wil doen. Ik zou het kind uit zijn armen trekken en het redden voor verdere gevolgen, maar het is zijn kat en dus heb ik weinig te zeggen.

 

Hij zet de kat op mijn schoot en ik voel hoe de klauwen in mijn vel dringen. ‘Rustig maar’ probeer ik nog, terwijl ik besef dat aaien geen zin heeft trekt ze haar nagel door in het vel rond mijn pols. Ik laat de kat los. Het bloedt. ‘Dat heeft ze nu nog nooit gedaan,’ zegt hij en hij kijkt me schuldbewust aan alsof het aan mij ligt en ik het beest zonet aan de zwaarste mishandelingen onderworpen heb. ‘Ik begrijp het ook niet,’ zeg ik, ‘de meeste katten houden van mij, maar misschien ruikt ze de hond.’ ‘Dat zal het zijn’ roept hij enthousiast uit terwijl ik duidelijk hoorbaar opgelucht zucht. Ik denk: ‘Dit heb ik ook weer overleefd. De waanzin is de wereld nog niet uit.’

 

De krabben van de kat snijden na. De wonden branden in mijn huid maar ik denk bij mezelf dat ik niet flauw moet doen. Ik ben een volwassen vrouw en geen kleuter die zit te wachten op een plakker en een wonderbaarlijke genezingskus. Bovendien wil ik er de aandacht niet meer op vestigen. De kat is ondertussen uit het zicht verdwenen en ging er als een pijlstaart vandoor.

 

Ik ben hier nog maar een uurtje en dit lijkt meer op martelpraktijken. Het langste uur uit mijn leven lijkt officieel bezig en ik kan geen kant uit. Alsof hét van bovenaf mij een test heeft opgelegd die ik vandaag moet doorstaan om verder te mogen gaan met het leven. Geloven zit er na vandaag niet meer in vrees ik. Niet dat dat al vroeger het geval was.

 

Hij vertelt over de misviering van het metekind van zijn vriendin. Ik doe mijn best om zijn uitleg te volgen. Het kind werd opnieuw gedoopt door een zwarte priester. Een zwarte priester, stel je voor. Hij herhaalt het omdat ik tijdens de eerste keer dat hij de zin uitsprak niet reageerde. Ik sta niet langer te kijken van zwarte priesters. De kleur van mensen maakt mij namelijk niet uit en ik vind het niet belangrijk of iemand nu zwart, blank, bruin, geel of paars is. Dat laatste is misschien toch belangrijker, gezien een mogelijk tekort aan leven. Na de tweede herhaling zeg ik zo achteloos mogelijk: ‘leuk.’ ‘Pas op,’ zegt hij, ‘je zou denken: een zwarte priester kan die dat wel, maar het was een toffe mis. Die mens heeft echt zijn best gedaan. Niet dat ik racistisch ben. Ik ben totaal geen racist. Maar je komt dat nu wel niet veel tegen, een zwarte priester.’

 

Ik begin zenuwachtig te worden, merk ik. Ik zet me recht in mijn stoel. Als hij zegt dat hij geen racist is, komt er dra een extreem racistische uitspraak. Dat weet ik uit ondervinding. Ik kan dus maar beter gewapend zijn. Niet dat ik er tegenin zal gaan, want de ervaring heeft me geleerd dat racisten toch niet luisteren naar een menswaardig en humanitair pleidooi. Meestal kunnen ze dat niet goed verwerken en blijven ze verder redeneren in kleine cirkels. Ik zeg hem dat de priester uit mijn dorp ook een andere huidskleur had maar dat hij spijtig genoeg overleden is aan Corona. Er volgt een stilte. Daarna volgt er een ‘Ah’.

 

‘Ja’ zegt hij ‘die bruine apen. Je zou er nog van verschieten. Die mis was echt plezant.’ Hij zegt het met een air alsof hij boven de priester staat, alsof zijn huidskleur hem net heeft herleid tot de goede klasse: het superieure ras waar geen andere kleur aan kan tippen. Ik denk aan Darwin en aan hoe hij het niet zou overleven mocht Darwin zijn gelijk behalen.

 

Ik voel me misselijk worden. Mijn maag trekt zich samen. Ik knijp me in de arm en besef dat ik iets te hard tegen de wonde geknepen heb. Een pijnscheut schiet door mijn lijf. De kat is nog steeds onvindbaar. Ik vraag me af of ik zonet echt zijn lippen heb zien bewegen. Ik schipper tussen ongeloof en afgunst. Maar de geschiedenis herhaalt zich. Het is niet de eerste keer dat hij zich vergrijpt aan dit soort uitspraken. ‘Het jammere is vooral dat ook deze man stemrecht krijgt,’ denk ik. Ik voel hoe hij zijn ogen op mij gericht houdt, maar ik maak geen oogcontact. ‘Je moet het lot niet tarten en verder kwellen’ denk ik. Ik hou niet van onrust, noch minder van zinloze gesprekken en al helemaal niet van debiele uitspraken. ‘Ik voel me niet goed’ zeg ik terwijl ik de wc opzoek. Naast het toilet staat een kattenbak met een kat er in. Ik zie hoe het beest een drol produceert waarvan ik de omvang onmogelijk kan berekenen. ‘Spectaculair’ denk ik. Terwijl ik al mijn misselijkmakende gedachten en de man in gedachten doorspoel, kijkt de kat me lang en doordringend aan. In het kruisen van onze blikken, in de milliseconde van onze gedachten geloof ik dat we elkaar begrijpen.

 

 Anke Verleysen

Reacties

Populaire posts van deze blog

Elfjes

poëtisch kortverhaal

Aanloop - gedicht