Ziektekiemen: kortverhaal



Mijn vaste, veilige therapeut is ziek. Er verschijnen allerlei doemscenario’s in mijn hoofd. Ik hoop dat het niets ernstig is want het liefst van al zie ik hem springlevend, fluitend en zo fris als een ongeplukt hoentje door de gangen de polonaise dansen. Niet dat hij dat ooit doet, maar in mijn gedachten kan en mag hij veel. Ik maak een top vijf op van de ziektes die ik hem, op basis van -al dan niet- eigen ervaring, het minst toewens:

 

1.      1.  Buikgriep. Ik heb zelf last van emetofobie. Overgeven is in mijn hoofd het ergste wat er bestaat.

2.      2.  Covid. Uit eigen ervaring kan ik melden dat de kortademigheid akelig is, ook alle neveneffecten (zoals verlies van geur- en smaakzin, uitputting, hoofdpijn, etc) die erbij komen kijken, zijn geen aanrader.

3.     3.  Een geknelde rugzenuw. Dat is op vlak van pijn het ergste wat ik ooit heb meegemaakt.

4.     4.  Een depressie. Ik hoop ten stelligste dat de hele wereld gelukkig is, blijft of wordt, mijn therapeut incluis.

5.     5.  Apenpokken, omdat het er zo griezelig uit ziet.

 

Wanneer iemand me op het vervangingsprogramma wijst, bekruipt mij een zekere angst. De vaste therapie gaat niet door en vervanging dringt zich op. Ik zie een naam staan die ik nog niet ken. Op dat vlak ben ik het omgekeerde van een vampier. Als ik nieuwe mensen zie, denk ik niet automatisch: “Mmm, vers bloed.” De kortsluiting die erop volgt in mijn hoofd legt het hele elektriciteitsnetwerk in mijn lichaam plat.

Als ik mijn psychologe een brief met een boodschap geef, zegt zij: “Dit ga je niet graag horen, maar misschien is het een goede zaak om zo ook eens een nieuwe therapeut te leren kennen.”

Ik denk: “Het is sowieso geen goede zaak dat er een ziekte werd geconstateerd bij de therapeut die mijn taal spreekt. Los daarvan zou ik haar ook kunnen leren kennen tijdens een andere therapie en niet tijdens de vervanging van één van mijn lievelingstherapieën.”

In mijn hoofd maakte ik die ochtend een schema van wat ik tijdens de therapie zou vertellen. Ik had een plan met de wereld. Alles valt nu in het water en ik heb het gevoel dat ik op zwemles ben. “Je bent geen dramaqueen” maan ik me aan. Ik probeer het zwembad met verdriet van de dag te minimaliseren en mezelf te leren om op een betere manier met tegenslagen om te gaan, maar ik ben zoekende. Laat ik net vandaag, na zeven dagen van onophoudelijk drastisch slaaptekort en nu alles al de hele week mank loopt, geen zin hebben in een extra zoektocht en nog minder in een kruistocht, maar dat laatste kan ik op dat moment nog niet weten.

“Ik moet beter mijn best doen,” denk ik.

Gezien mijn psychologe een sympathieke vrouw is, zeg ik: “Oké, ik ga het proberen.”

De supporters in mijn hoofd staan klaar met spandoeken: “Komaan, je kan dit.”

Tot wanneer ik de kamer binnen kom en de nieuwe therapeute de volgende openingszin op me afvuurt: “Jij bent hooggeschoold zeker?”

Even denk ik dat ik de grap gemist heb, maar de therapeute is bloedserieus. Als ik rond me kijk, zie ik minstens één medemens zitten zonder diploma. Ze reageert niet. Ik voel me ongemakkelijk worden. Het is iets met plaatsvervangende schaamte, merk ik.

“Waar gaat dit heen?” denk ik.

Voorzichtig en aarzelend zeg ik “ja”.

De therapeute zegt: “Voor de volgende opdracht moet je twaalf hokjes invullen met telkens een gebeurtenis of ervaring die belangrijk voor je is.”

Mijn verwarring is compleet. Ik durf te zeggen: “Wat heeft dat met hooggeschoold zijn te maken? Of moeten het gebeurtenissen zijn die met je opleiding te maken hebben?” Ik meen mijn vraag.

“Omdat het een therapie is waarbij je toch moet kunnen nadenken.” Zegt ze er nog bij.

Ik denk dat ik van mijn stoel recht achterover op mijn hoofd ga vallen. “En ik heb al hoofdpijn” denk ik. “Heeft ze dit echt gezegd?”

Ik besluit om niet te zeggen: “Ik wist nog niet dat therapie vanaf nu voor hooggeschoolden is.”

Ik bijt op mijn lip. Ik durf haar niet aan te kijken want dan zou ze zien dat haar opmerking me niet bevalt. Onrechtmatige uitspraken, ik kan er niet zo goed tegen. Gelukkig ben ik zelf niet perfect.

Op mijn blad schrijf ik in drukletters: “Misschien zegt ze dit uit nervositeit. Iedereen heeft recht op minstens één foutje. Geef haar nog een kans. Ze is nog jong.” Ik zoek naar allerlei verklarende manieren om haar uitspraken te rechtvaardigen.

Dat ze me daarna, tijdens de bespreking vraagt wie de messias is terwijl ik het over mijn zoon heb en het woord noch van ver, noch van dichtbij in mijn mond heb genomen, denk ik “een tweede foutje kan ook nog”.  Verder geloof ik niet dat de verlosser bestaat, maar dat kan zij natuurlijk niet weten.

Bij een derde vreemde redenering waarbij ze haar eigen therapeutische strubbelingen op tafel legt, denk ik: “Driemaal is scheepsrecht,” maar vandaag heb ik geen zin in varen op zee, dus zijg ik neer in mijn stoel en wacht ik op een wonder dat de dag voor me kan redden.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Elfjes

vrouw

poëtisch kortverhaal