Watten - gedichten

 

Watten

(Bij I.)

 

Ik zal niet kwaad zijn

op jou, mijn lief lijf.

Je hebt mij al in jou

 

gehouden, je moet mij

nog verder naar mijn einddoel

brengen, al weet ik nog niet

 

wat ik wil, wat jij voor mij

betekent aan het eind van de meet.

Ik zal zorg voor je dragen.

 

Ik zal je in watten leggen

en je laten drogen.

 

-------------------------------------------------------

 

Ritme

(bij I.)

 

Wil jij de maat aangeven

van het lied dat we samen schrijven,

de noten die we hebben ingekleurd?

 

We houden niet van tradities

in zwart, we willen een regenboog

van lijnen als notenbalken gebruiken.

 

We zullen onze rusten inzetten

en zo nu en dan stil zijn

om elkaars lijnen heen.

 -----------------------------------------------------------------------------------

 

Lakens

(bij S.)

 

Zullen we het opstaan

uitstellen tot wanneer

we oud genoeg zijn

om het beter te weten

dan vandaag?

 

Kunnen we de dag

samen met ons

in het laken wikkelen

tot we zelf zachter worden?

 

Vind ik je ook daar terug?


 ------------------------------------------------------------------


Zinken

(bij S.)

 

Als je in het water gesmeten wordt,

moet je zwemmen want als je je armen

en benen stijf houdt zink je

naar de bodem zonder lucht te happen.

 

Daar in de diepte zul je je ogen pas openen

en het zeewier niet meer zien.

 -----------------------------------------------------

Over

(bij E.)

 

We moeten een tijd op ons zetten:

geen minuten maar uren

en dan moeten we leven

binnen de spanne

die we voor ons hebben uitgezet.

 

‘Wat als we over gaan?’ vraag je mij.

‘Dan ben ik zwanger van jou’ zeg ik

terwijl ik denk dat je al langer

in mij groeit.

 ----------------------------------------------------

 

Koe

(bij E.)

 

Je moet jezelf

laten schijnen,

je in het licht zetten

en zorgen dat je ogen

de zon reflecteren.

 

Je mag je niet laten

verblinden.

Je moet de koe

bij de horens vatten

en haar daarna

op stal zetten.

 

Maar wat er ook gebeurt,

hou je ogen open.

 

--------------------------------------------------------

 

Waterdicht

(bij M.)

 

Zullen we de rode loper

opnieuw uitrollen

om ons leven samen

te vieren?

 

De waters die we hebben

doorzwommen bleken diep

maar niet onoverwinnelijk.

 

We konden zwemmen,

al wisten we dat toen nog niet

helemaal. Het rood van de loper

zou uitlopen en mijn kleed roze

kleuren. We zouden onze handen

kunnen wassen in de regen.

 

We zouden samen waterdicht worden.

 ----------------------------------------------------------

Poging

(voor Guy, bij A.)

 

Ze moet nog in zichzelf geloven,

voor de zon onder gaat.

Ze moet beloven dat ze moeite zal doen

om haar meer te laten vertellen

dan wat ze zelf uit haar uithalen haalt.

 

Ze moet denken dat het goed is

dat ze blijft proberen,

dat het tegen beter weten in

moed in haar aanwakkert.

Licht ontvlambaar moet ze zijn

en in zich het vuur laten branden.

 

Ze moet erkennen dat ze mooi kan zijn,

zelfs wanneer ze haar gezicht

in de plooi houdt.

Ze moet haar leren in de spiegel kijken

om te aanvaarden wat ze ziet:

het bange meisje in de vrouw

die ze is geworden.

 

Ze moet beseffen dat leeftijd slechts

een getal is en dat ze zich niet

in cijfers moet vastbijten:

ze is geen overjaarse wolf

die naar de maan huilt om haar zo

dichterbij te halen.

 

Ze moet geloven dat ze ‘het’ kan

en dat drie letters samen

niet altijd groots hoeven te zijn.

 

Ze moet aan de barricades

van haar kunnen gaan staan

en ‘stop’ gillen naar alle betogers

in haar hoofd die aan haar oogleden trekken

tot ze moe en minder moeder wordt.

 

Ze moet de onzekerheid

uit haar huid strelen

en niet langer met harde hand

schrobben tot het pijn doet

en ze de plekken niet meer

op één hand kan tellen.

 

Ze moet door alle lagen

van gemis heen breken

tot ze opnieuw honger heeft.

Ze moet zich laven

aan zijn stem die zegt

dat ze na al die jaren

eindelijk goed genoeg is.

 

En dan moet ze zich in hem herhalen

tot alles zachter wordt,

ook zij.


 --------------------------------------------------------------------

Haalbaar

(bij I.)

 

Je bent de haalbaarheid

in de onhaalbaarheid,

de mogelijkheid

in de onmogelijkheid.

Je bent meer dan uit wat je bestaat.

 

Je bent de schittering

op het water, de kers

op de taart, het neusje

van de zalm.

 

Je bent zo mogelijk

dat het pijn doet

aan de ogen.


 --------------------------------------------------

Feestje

(bij W.)

 

Ze wil dronken worden

tot ze niet langer weet

wie de broek draagt.

 

Ze wil van de wereld zijn,

zorgen dat het even niet

om haar hoofd draait

en alles wat erin zit.

 

Ze wil zichzelf beschenken

tot ze naakt alle muren

bij elkaar krijst

en zo het huis kleiner maakt.

 -------------------------------------------------------------------------

Hond

(bij S.)

 

Zul je aan de schoolpoort staan?

De hond pootjes leren geven?

Niet overkoken maar wachten

tot het gaar genoeg is

om te kunnen bijten.

 

We zullen onze tanden zetten

in vlees en niet langer in armen

die aan de schoolpoort

altijd op je wachten.


 ------------------------------------------

Dansen

(bij M.)

 

Ze mogen het huis uitgaan

maar moeten de weg terugvinden,

dus leg je broodkruimels uit

en hou je de stenen aan de kant.

 

Het pad dat je voor hen uitzet

is vrij van wolven, er huilen

geen honden meer.

 

Het enige wat anders is,

is dat -eens je het pad bewandelt –

je voeten zo hard jeuken

 

dat je ervan moet dansen.

 -------------------------------------------------------

Tafelhart

(bij M.)

 

Je legt je hart op tafel,

zegt: “Neem het en luister

naar mijn kloppen.”

 

“Ik ben bang dat je dood gaat”

zeg ik, “als je je hart

te lang aan me uitleent.”

 

Jij zegt dat je altijd zult blijven leven,

dat jouw hart anders is.

Ik denk dat het groter is

dan de meeste mensen.

 

Ik weet dat je me graag

blaasjes wijsmaakt,

maar ik geloof ze nog liever.

------------------------------------------------------

Koffie

(bij D.)

 

Als ik je zie

weet ik niet meer

waar ik de melk

voor de koffie heb gelaten.

 

Als ik je niet zie

weet ik niet meer

hoe ik de koffie

moet drinken.

 

Hoe warm maak je

het water?

Hoe hard los ik je op

en waar vind ik nog restjes

van mezelf terug?


---------------------------------------------------

Geweten

(bij S)

 

Je wil de onrust uit je lijf,

probeert de dood weer tot leven

te wekken maar sommige zaken

zijn onherroepbaar.

 

Je wil haar naar het huis terugbrengen.

Je wil je eigen weg inkorten,

de tussenstop onderweg groter maken.

 

“Hoe haal je de dood uit haar lijf?”

denk je en je wiegt jezelf tot je in slaap valt:

je sust je geweten tot je het zelf wordt.

 ---------------------------------------------------

Gelijkenis

(bij H.)

 

De kinderen zijn terug

en ze maken je bang.

Ze spelen ‘spookje’ met je lijf,

zetten het huis op stelten

en raken je in het hart.

 

Het gemis heeft de dagen

voor zich uit geduwd.

Je hebt hen niet laten weten

hoe het snijdt, want wonden delen

maakt ze niet kleiner.

 

Ze hebben de routine terug omarmd,

de uren in de dagen gestoken

en de spelen in de beeldbuis.

 

De kinderen zijn terug:

ze lijken opnieuw te bestaan,

omarmen de delen van jou

met dat wat ze niet

van hun vader hebben.

 --------------------------------------------------

Gesloten boek

(bij H.)

 

Je bent een gesloten boek

en ik wil graag in je bladzijden wonen.

 

Mag ik weten op welke pagina

jij je nummers bewaart

en of ik ze mag tellen?

 

Je bent kort van stof:

je zou snel uit zijn

als ik je open sla,

maar we weten allebei

dat enkel zachtheid zin heeft,

zeker bij kortverhalen.

---------------------------------------------------

Afbraakwerken

(bij T)

 

Je moet door mijn muur heen breken

zodat je achter mijn glimlach

kan kijken.

 

Achter mijn mondhoeken vind je

verdriet. Ik wil dat je dieper gaat,

mijn pijnen ziet.

 

Ik wil dat je er je vinger oplegt

en dat ons zwijgen er niet langer

toe doet.



Gedichten Anke Verleysen

Reacties

Populaire posts van deze blog

Elfjes

vrouw

poëtisch kortverhaal