Koningskinderen: gedicht
De twee
koningskinderen
De dender blijft
steken in Aalst.
Er is een
stroming die langs de oevers
tolt en het
donker in al haar diepte gevangen houdt.
Een jongeman
zonder doel
wiens hart nog
niet gevuld
met water is,
verliest zich in een rivier
op weg naar een meisje
waarvan de naam
nog niet geweten
mag worden.
Een
schildersvrouw besprenkelt haar ezel
met verf. Ze
vraagt zich af waar de golven
het uitdeinen
aanleren en ziet hoe een hand
geen vingers meer
telt. Ze roept nog
een naam waarvan
ze hoopt dat hij hem zal begrijpen
maar als zijn arm
naar de bodem zinkt, weet zij
dat ook springen
geen zin meer heeft. Ze kent de jongen
niet, weet nog
niet dat de verwachting die hij achterliet
ook haar leven
grijzer zal maken.
Een jonge deerne
vraagt aan haar vader of zij de lichten aan mag steken.
Ze zag een man
aan de oever verdwijnen, rent het huis uit
om hem dichterbij
te halen, onderweg ontdoet ze zich van alles wat haar aankleedt:
de borsten die
hij speels uit haar boetseerde, de brieven waarin haar naam ontbrak
omdat hij haar
voortaan met lieveling aansprak, de tranen die hij liet bij het nog niet samen
kunnen wegvlieden
op verdriet, de dromen waar ze beiden nog niet aan konden komen.
Ze ziet hoe alle
spraak uit hem verdwijnt, gilt hem na maar krijgt geen echo meer.
‘Mijn kind’ roept
een vrouw met een ezel in haar hand. ‘Blijf hier, ik kom je halen.’
Maar voor zij de
kant van het riet weet te kiezen, drijft er in de Dender
een kleed dat
haar gedragen geheimen niet langer zal omhullen
en twee harten
die elkaar terugvinden in het zwijgen.
Anke Verleysen

Reacties
Een reactie posten