Koningskinderen: gedicht

foto: google

De twee koningskinderen

 

De dender blijft steken in Aalst.

Er is een stroming die langs de oevers

tolt en het donker in al haar diepte gevangen houdt.

 

Een jongeman zonder doel

wiens hart nog niet gevuld

met water is, verliest zich in een rivier

op weg naar een meisje waarvan de naam

nog niet geweten mag worden.

 

Een schildersvrouw besprenkelt haar ezel

met verf. Ze vraagt zich af waar de golven

het uitdeinen aanleren en ziet hoe een hand

geen vingers meer telt. Ze roept nog

 

een naam waarvan ze hoopt dat hij hem zal begrijpen

maar als zijn arm naar de bodem zinkt, weet zij

dat ook springen geen zin meer heeft. Ze kent de jongen

niet, weet nog niet dat de verwachting die hij achterliet

 

ook haar leven grijzer zal maken.

Een jonge deerne vraagt aan haar vader of zij de lichten aan mag steken.

Ze zag een man aan de oever verdwijnen, rent het huis uit

om hem dichterbij te halen, onderweg ontdoet ze zich van alles wat haar aankleedt:

 

de borsten die hij speels uit haar boetseerde, de brieven waarin haar naam ontbrak

omdat hij haar voortaan met lieveling aansprak, de tranen die hij liet bij het nog niet samen

kunnen wegvlieden op verdriet, de dromen waar ze beiden nog niet aan konden komen.

 

Ze ziet hoe alle spraak uit hem verdwijnt, gilt hem na maar krijgt geen echo meer.

‘Mijn kind’ roept een vrouw met een ezel in haar hand. ‘Blijf hier, ik kom je halen.’

Maar voor zij de kant van het riet weet te kiezen, drijft er in de Dender

een kleed dat haar gedragen geheimen niet langer zal omhullen

en twee harten die elkaar terugvinden in het zwijgen.

 

Anke Verleysen


 

Reacties

Populaire posts van deze blog

Elfjes

poëtisch kortverhaal

Aanloop - gedicht